De deze week gepresenteerde Miljoenennota 2019 bevat voor onze sector weinig verrassingen.

Het kabinet heeft in onze ogen goede en logische beleidsdoelen geformuleerd, maar de instrumenten die worden ingezet (programma’s en hoofdlijnakkoorden) zijn voor ons nog niet overtuigend. Misschien hadden we wel gehoopt dat we verrast zouden worden met maatregelen tegen een aantal ontwikkelingen waar we ons grote zorgen over maken.

Het kabinet spreekt over het betaalbaar en toegankelijk houden van de zorg. Beide beleidsdoelen zijn een ingewikkelde opgave. Want daar waar het over betaalbaarheid gaat, hebben we te maken met sterke vergrijzingscijfers van de Nederlandse bevolking, die zeker voor de vvt-sector een sterke autonome toename van de zorgvraag betekenen. Er zijn steeds meer mensen die zorg nodig hebben en in de laatste levensfase is de zorgbehoefte nu eenmaal het sterkst. De uitdaging is hoe we de zorgkosten daarbij in de hand kunnen houden. Institutionele zorg (verpleeghuizen, ziekenhuizen) zijn relatief dure voorzieningen, die je pas zou moeten inzetten op het moment dat andere mogelijkheden er niet meer zijn. Beleidsmatig is het niet goed uitlegbaar dat er voor verpleeghuizen ruim 2 miljard bij komt en dat zorg thuis moet knokken om overeind te blijven. Want we zien dat zorgverzekeraars in de wijkverpleging de tarieven niet laten meebewegen met de cao-ontwikkelingen en dat er in de contracten wordt bedongen dat cliënten minder uren zorg krijgen. Zorgaanbieders worden daarbij gebenchmarkt. Zorgaanbieders die volgens verzekeraars relatief veel zorguren per cliënt inzetten, worden via kortingen op het tarief en/of op het budgetplafond gedwongen om minder uren te leveren. De manier waarop dit gebeurt is verre van transparant. Elke zorgverzekeraar gebruikt zijn eigen benchmark-methode. Zorgverzekeraars gebruiken de term ‘doelmatigheid’, maar de hoeveelheid zorg per cliënt heeft volgens ons niet zoveel met doelmatigheid te maken. Het kan heel doelmatig zijn om veel zorg te leveren aan een complexe cliënt. Het kan heel ondoelmatig zijn om weinig zorg te leveren aan een cliënt die veel zorg nodig heeft. Minder zorguren per cliënt afdwingen is gewoon een bezuiniging. Die twee ontwikkelingen samen (de achterblijvende tarieven en de vermindering van het aantal zorguren per cliënt) is het beeld dat we breed zien in de wijkverpleging. Afknijpen van  de wijkverpleging is geen logische ontwikkeling als ‘betaalbaarheid van de zorg’ één van de centrale beleidsdoelstellingen is.

De beleidsdoelstelling ‘toegankelijkheid’ is sterk afhankelijk van de ontwikkeling op de arbeidsmarkt.  Wachtlijsten ontstaan op het moment dat er onvoldoende mensen zijn om het werk te doen. Wij zien dat er gelukkig steeds nog nieuwe medewerkers instromen in de sector, maar de uitstroom is fors. Te fors. Dat heeft enerzijds met de vergrijzing (pensionering) van personeel te maken. Maar om personeel te kunnen vasthouden, moet je ze als werkgever enerzijds aan je weten te ‘binden’, dus omstandigheden creëren die ervoor zorgen dat het personeel blij en tevreden blijft. Anderzijds zijn de arbeidsvoorwaarden een belangrijke factor. Voor goede arbeidsvoorwaarden in zorg thuis zijn reële en dekkende tarieven nog niet op orde. En door de miljardeninvestering in verpleeghuizen dreigt de balans op de arbeidsmarkt verder verstoord te raken. Want het is voor extramurale organisaties dan toch moeilijker om personeel te verleiden en te ‘binden’. Er dreigt een negatieve spiraal te ontstaan als het niet lukt om de personeel aan te trekken en vast te houden. Wanneer werkdruk en ziekteverzuim toenemen, kan dit in een organisatie snel om zich heen grijpen. Dan is het voor werkgevers niet gemakkelijk om op tijd bij te sturen en te zorgen dat de balans terugkeert.

Het betaalbaar en toegankelijk houden van de zorg wordt bemoeilijkt doordat we in Nederland werken met een complex stelsel van wetgeving. En voor dat stelsel is het kabinet verantwoordelijk. Burgers snappen het verschil tussen Wmo, Zvw en Wlz niet, maar lopen wel tegenaan dat zorgprofessionals betaald worden uit verschillende ‘potjes’. Een wijkverpleegkundige die een wond heeft verschoond, mag niet zomaar de lakens van het bed verschonen en in de wasmachine stoppen. De huishoudelijke hulp kan best even de steunkousen helpen aantrekken, maar daar komt weer iemand anders voor. Dat is niet alleen lastig, maar ook onnodig duur. Bovendien maken we onvoldoende gebruik van de capaciteiten van zorgverleners. In een land waar een tekort dreigt aan vrijwel alle soorten zorgverleners is dit verre van optimaal. Voor het oplossen van deze, door de landelijke overheid gecreëerde, problemen kijkt dezelfde overheid naar lokale partijen. Wij zouden graag zien dat de problemen bij de wortel worden aangepakt en het stelsel wordt vereenvoudigd in plaats van te vertrouwen op symptoombestrijding door lokale partijen. Er zijn mooie voorbeelden te vinden waar adequate oplossingen zijn gevonden, maar te vaak gaat het niet goed. Daar heeft de burger met een zorgvraag last van. We stoppen belasting- en premiegeld in een systeem dat op zichzelf veel efficiënter kan worden georganiseerd.

Over hulp bij het huishouden wordt door het kabinet geen woord gerept. Dat vinden wij opmerkelijk. Want deze zorg vormt de ruggengraad van zorg thuis. Mensen die door ouderdom en ziekte of gebrek te maken krijgen met beperkingen, hebben vaak als eerste behoefte aan ondersteuning bij de zwaarste huishoudelijke taken. BTN heeft er als werkgeversorganisatie ervoor gekozen om te investeren in betere arbeidsvoorwaarden voor het personeel. De vernieuwde loonschaal is een forse investering. Maar deze investering kan alleen betaald worden als gemeenten de loonkostenstijging via tarieven compenseren. We zijn als brancheorganisatie al meer dan een jaar aan het trekken aan het ministerie van VWS, VNG en gemeenten om de tarieven op peil te krijgen. In deze periode is één van onze leden failliet gegaan als gevolg van ontoereikende tarieven. Wij hadden graag gezien dat het kabinet in de miljoennota onze beleidskeuze expliciet had gesteund en had benoemd dat gemeenten en zorgorganisaties er samen voor moeten zorgen dat de hv-loonschaal in alle Nederlandse gemeenten door werkgevers kan worden betaald, omdat sprake moet zijn van reële tarieven. Het is goed dat de koning in de troonrede benoemt dat de loonontwikkeling van zorgmedewerkers niet in het gedrang mag komen door de wens om de zorgkosten in de hand te houden. Het is dan wel zuur dat de regering ontkent dat we op dit punt de problemen en uitdagingen nog lang niet hebben opgelost.